Kerkelijke kunst

De geboortegrond van de moderne religieuze kunst ligt in Frankrijk. Met name de dominicaner priester-kunstenaar Marie-Alain Couturier O.P. (1897-1954) en de priester-kunsthistoricus Pie Raymond Régamey O.P. (1900-1996) waren vlak na de Tweede Wereldoorlog grote pleitbezorgers van de modernisering van religieuze kunst en kerkelijke architectuur. Dit duo maakte met hun beweging, de Art Sacré Modern, de weg vrij voor eigentijdse vormgeving en inrichting van kerken, kloosters en van voorwerpen in de christelijke liturgie. Ze zochten aansluiting bij progressieve groeperingen in de Rooms-Katholieke Kerk die hervormingen en oecumenisch katholicisme nastreefden. Hun pleidooi voor autonome moderne religieuze kunst verkondigden de beide priesters onder andere in het tijdschrift L’Art Sacré waarvan zij tussen 1937 en 1954 de redactie vormden. Bovendien waren ze persoonlijk betrokken bij tentoonstellingen en congressen in binnen- en buitenland. Ze entameerden een discussie en formuleerden een standpunt tegen het kunstbeleid van het behoudende Vaticaan. Zij wilden het academisme en het monopolie doorbreken van de behoudende Ateliers d’Art Sacrés die in Frankrijk de standaardleveranciers waren voor religieuze kunst. Ze bepleitten de entree van autonome eigentijdse kunst in de kerkelijke architectuur en inrichting. Daarvoor benaderden ze ook kunstenaars van een andere denominatie: joodse, niet-religieuze en communistisch geëngageerde kunstenaars. De goddelijke inspiratie stond voor hen boven het belang van de katholieke achtergrond van de kunstenaar.

Ondanks de tegenwerking vanuit Rome, deed een eigentijdse, sobere, expressieve religieuze kunst zijn intrede en verschoof de kunst van figuratief naar abstract. Aanvankelijk betrof het geen parochiekerken, die stonden te veel onder traditioneel kerkelijk gezag. De eerste contemporaine vrije kunst en moderne architectuur realiseerde het tweetal in:

  • Notre-Dame-de-Toute-Grâce du Plateau d’Assy – onderdeel van een sanatoriumcomplex in de Franse Alpen: een modern ingerichte kerk die werk bevat van talloze beroemde kunstenaars uit die tijd;
  • Chapelle du Rosaire in Vence – kapel van de Rozenkrans voor de zusters Dominicanessen die geheel is ingericht door Henri Matisse (1869-1954);
  • Notre-Dame du Haut bij Ronchamp – een bedevaartskerk die breekt met de traditionele kerkarchitectuur. De architect Le Corbusier (1887-1965) bouwde een betonnen kerk met een afwijkend grondplan;
  • Sacré-Cœur in Audincourt – met mozaïekramen van Fernand Leger (1888-1951) die deze oude techniek combineerde met moderne ontwerpen en moderne materialen door de abstracte geometrische ramen te vatten in beton.

In 1957 kwam een belangrijke doorbraak toen het Vaticaan een spectaculair modern Frans ontwerp goedkeurde voor de bedevaartkerk Madonna delle Lacrime in Syracuse. Na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) werd moderne kunst in de Rooms-Katholieke Kerk officieel aanvaard.

Moderne religieuze kunst in Nederland

In het naoorlogse Nederland was een groot tekort aan kerken ontstaan. In 1948 werd daarom in Rotterdam het congres Nederlands Nieuwe Kerken georganiseerd waar de toekomst van de nieuwbouw en reconstructie van de kerkelijke bouwkunst centraal stond. Op dit congres sprak ook de Franse Pie Raymond Régamey. De vakliteratuur haakte in op dit onderwerp en er werd breed over gediscussieerd. Het gedachtegoed van de Franse moderne religieuze kunst raakte op die manier bekend bij Nederlandse architecten en kunstenaars.
Ook de AKKV (Algemene Katholieke Kunstenaarsvereniging) waarvan Jan Dijker lid was, mengde zich in de discussie. In 1949 organiseerde de AKKV een congres over dit onderwerp. In het verenigingsblad, Katholiek Bouwblad, werd bovendien veel aandacht besteed aan Franse kerkelijke kunst.

hilversum werkplaatsJan Dijker op de bouwplaats van de  Willibrorduskerk in Hilversum, 1963.

Het Nederlandse publiek maakte in 1951 kennis met de contemporaine religieuze kunst op de tentoonstelling Franse religieuze kunst in het Van Abbemuseum. De directeur van dit Eindhovense museum, Edy de Wilde (1919-2005), breidde bovendien de collectie uit met moderne religieuze kunst. In de museumwereld stond hij hierin alleen. Willem Sandberg (1897-1984), directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, wees zelfs het gebonden karakter van de religieuze kunst expliciet af en bouwde zijn collectie en tentoonstellingen geheel rondom vrije, avant-gardistische kunst.

In 1958 vond de tentoonstelling Nieuwe Religieuze Kunst plaats in het Stedelijk Museum Het Prinsenhof in Delft. Deze tentoonstelling werd gevolgd door een driedaags congres over dit onderwerp. De discussie die daarmee op gang kwam over de betekenis van expressieve, abstracte moderne kunst met religieuze thematiek was complex. De meningen in Nederland waren sterk verdeeld. Er was een kamp dat afscheid wilde nemen van de zogenoemde ‘religieuze kitsch’ van die tijd. Modernistische architecten waren van mening dat de neogotiek van kerkgebouwen en kloosters moest worden opgevolgd door een eigentijdse bouwstijl. Er waren kunstenaars die bepleitten dat de kerk de aansluiting met de moderne kunst en architectuur gemist had, anderen waarschuwden voor een tweedeling in de parochie tussen de hoger opgeleiden en het gewone volk. De kerk zou zich vervreemden van het gewone volk omdat abstracte kunst voor hen moeilijk te begrijpen zou zijn.

Ondanks de discussie en de weerstand kreeg tussen 1955 en 1970 ook in Nederland moderne religieuze kunst vaste voet aan de grond. Er verrezen kerkgebouwen die sterk afweken van de traditionele typologie, de vensters kregen felgekleurde geometrische glaskunst, abstracte of sterk gestileerde kunst sierde de façades en het interieur. Mede dankzij de procentsregelingen maakte kunst in de jaren ’50 een belangrijk onderdeel uit van de religieuze bouwkunst in Nederland.

Judith Kuipéri │ 2015.

Advertenties