Monumentale kunst

In de wederopbouwperiode (1940-ca. 1965) werkten kunstenaars en architecten nauw samen. Ze kregen opdracht van de overheid om gebouwen te ontwerpen die voorzien waren van kunst. Die kunst was op het gebouw bevestigd of maakte er integraal onderdeel van uit. Het betrof onder andere mozaïeken, glas-in-lood vensters, wandschilderingen, sgraffiti, reliëfs of mengvormen van deze technieken. Het onderwerp van de kunstwerken hield veelal verband met de functie van het gebouw waarvoor ze gemaakt waren. Tot 1955 kregen de kunstenaars vooral opdrachten voor figuratieve kunst. Onder invloed van de Cobra-beweging was na die tijd meer ruimte voor abstracte monumentale kunst. Ook de Rooms-Katholieke Kerk stond vanaf het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) meer open voor abstracte kunst in haar kerkgebouwen. Lees hier meer over kerkelijke monumentale kunst.

hilversum interieur
Jan Dijker, St. Willibrorduskerk Hilversum, glas-in-beton, 1963.

Procentsregelingen

In 1951 kwam er vanuit het ministerie een richtlijn die bepaalde dat anderhalf procent van de bouwkosten van grote rijksgebouwen besteed moest worden aan kunst die geïntegreerd werd in die gebouwen. Omdat de kunst nagelvast bevestigd was, werd het ook ‘gebonden kunst’ genoemd. De bedoeling was dat architecten en kunstenaars nauw samenwerkten bij het ontwerp van het gebouw en zo een synthese tussen architectuur en kunst tot stand brachten. De wederopbouwarchitectuur moest een Gesammtkunstwerk zijn. Door kunst te verweven in de openbare en gebouwde omgeving,  kon het publiek er laagdrempelig kennis mee maken. Op die manier zou kunst bijdragen aan een betere, naoorlogse maatschappij. Bovendien was er in de periode vlak na de oorlog bijna geen markt voor vrije kunst en konden kunstenaars financieel nauwelijks rondkomen. Door de procentsregeling konden kunstenaars weer een goed inkomen verdienen.

In 1955 stelden de gemeenten een vergelijkbare richtlijn op die bepaalde dat een procent  van de bouw van rijksmiddelbare en hoge scholen aan kunst moest worden besteed. Ook het bedrijfsleven stimuleerde vanaf 1950 dat er kunst kwam in bedrijfskantines, banken, warenhuizen, op fabrieksgevels en in scheepsinterieurs.  In dat jaar werd de Stichting Kunst en Bedrijf opgericht die gelden van bedrijfsleven en het Rijk ter beschikking stelde om kantoor- en bedrijfspanden van nagelvaste kunst te voorzien. De opdrachtgevers bepaalden veelal dat de kunst figuratief moest zijn en een duidelijk thematische relatie met de gebruikers van het pand had. Hen onbekende kunstenaars kregen vastomlijnde opdrachten, maar wanneer de opdrachtgever de kunstenaars al kende, kregen ze meer vrijheid.

Maar ook in gebouwen die niet onder de procentsregelingen vielen werd veel monumentale kunst aangebracht. Een bedrijf dat een jubileum vierde, een pastoor die een aantal jaren gediend had, een verbouwing of een andere feestelijkheid waren vaak aanleiding voor personeel of parochieleden om een geldinzameling te houden en een blijvend kunstwerk voor het gebouw te laten vervaardigen.

maria reginaJan Dijker, deuren Maria Regina-kerk,  Boxtel, 1959. (Foto: Ivo Mulder)

Kenmerken wederopbouwkunst

De wederopbouwkunst bevatte veel symboliek, metaforen, allegorieën en personificaties. Thema’s waren bijvoorbeeld de natuur, de deugden, saamhorigheid, religie, maar ook alledaagse onderwerpen. De kunst kenmerkt zich door de uiting van optimisme over de toekomst en de vooruitgang. De kunstenaars specialiseerden zich niet, maar werkten in heel uiteenlopende technieken. Bovendien experimenteerden ze met nieuwe materialen en combineerden verschillende technieken in een kunstwerk. Voorbeelden hiervan zijn: glasappliqué’s, glas-in-beton, reliëfs samengesteld uit bakstenen, mozaïeken van scherven en grint in beton. Dit experimenteren werd gestimuleerd door de technische ontwikkeling en de nieuwe bouwmaterialen die de architecten toepasten. Een ander kenmerk was de samenwerking van de beeldend kunstenaar met de architect. Het streven was dat zij samen optrokken bij het ontwerp van het gebouw. De basis voor de wederopbouwkunst werd gelegd in het interbellum (zie hierover ook: techniek wandschildering).

maartenskerk defJos Schijvens en Kees Verberk, Sint Maartenskerk,  Tilburg 1963,
(gesloopt 1983).  (Foto: regionaalarchieftilburg.nl)

Bouwexplosie

Om de woningnood te lenigen, werden in de jaren vijftig veel woonwijken compleet met scholen, winkelcentra en kerken gebouwd. De kerken kregen een moderne uitstraling om te benadrukken dat er een breuk was met de traditionele religieuze opvattingen. De contouren van de kerken waren zo afwijkend van de gangbare kerktypologie, dat ze bijnamen kregen. De Tilburgse Sint Maartenskerk waarvoor Jan Dijker glas-in-beton vensters maakte, werd bijvoorbeeld ‘de frietbuil’ genoemd. Architecten werden in de wederopbouwwijken ook voor nieuwe bouwopgaven gesteld, zoals wijkcentra waarin bewoners elkaar konden ontmoeten.

Synthese architectuur en kunst

Onder invloed van internationale architectuurcongressen (CIAM 6 en 7 in 1947 en 1949), het werk van Le Corbusier (1887-1965) en de tentoonstelling ‘Weerbare Democratie’ in het Stedelijk Museum (1946), werd in Nederland een synthese tussen architectuur en beeldende kunst nagestreefd. Niet alleen de overheid en het bedrijfsleven stimuleerden de samenwerking, ook de opleidingen aan de kunstacademies waren erop ingericht. Maar in de jaren zestig ervoeren steeds meer kunstenaars en architecten dat een echte synthese tussen architectuur en kunst niet haalbaar bleek. In de praktijk kwam de kunstenaar pas aan bod als het gebouw gereed was: er werd niet samengewerkt maar na elkaar gewerkt. Bovendien stoorden veel architecten zich aan de ingreep die de kunst deed in het ruimtelijk ontwerp. De VbMK, de Vereniging van beoefenaars van de Monumentale Kunst die in 1952 was opgericht, werd uiteindelijk in 1968 opgeheven.

Opleiding ‘Monumentale kunsten’

Monumentale kunstenaars waren meestal opgeleid in Amsterdam, Rotterdam of  Maastricht.
Heinrich Campendonk (1889-1957) was van 1935 tot 1956 professor aan de Rijksakademie voor Beeldende Kunst in Amsterdam. Hij leidde de afdeling ‘Monumentale en versierende kunsten’. Voordien was hij lid van de Duitse kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter en doceerde onder ander aan de kunstacademie van Düsseldorf. Hij had uitgesproken ideeën over de eisen waaraan goede monumentale kunst moest voldoen. Hij was van mening dat de kunst ondergeschikt moest zijn aan de architectuur en dat de voorstellingen geen diepte mochten suggereren. Monumentale kunst moest volgens hem wel een boodschap hebben en niet puur decoratief zijn. Maar die thematiek mocht weer niet te persoonlijk, politiek of moralistisch zijn. Hij propageerde geabstraheerde, figuratieve monumentale kunst. De ideeën van Campendonk waren van grote invleod op de generatie ‘monumentalen’ van na de Tweede Wereldoorlog. Jan Dijker was een leerling van Campendonk.
Op de Rotterdamse Academie werd daarentegen de geometrisch-abstracte monumentale kunst onderwezen. Jac. Jongert (1883-1942) en Piet Zwart (1885-1977) waren daar de docenten.
Op de Maastrichtse Jan van Eyckacademie was het onderwijs vooral gericht op glas-in-loodramen. De rooms-katholieke kerken werden tot 1955 voorzien van ramen met figuratieve voorstellingen en traditionele beeldtaal. De docent in Maastricht, Jos ten Horn (1894-1956), onderwees glaskunst die in de traditie stond van de romaanse stijl. Zijn opvolger Albert Troost (1924-2010) was door Heinrich Campendonk opgeleid en legde meer de nadruk op de moderne kunst in de opleiding.

Judith Kuipéri │ 2015.

Advertenties